HET ONDERZOEK NAAR DISPROPORTIONEEL POLITIEGEWELD MOET GRONDIG EN EFFECTIEF ZIJN MET DE MOGELIJKHEID VAN IDENTIFICATIE VAN DE VERANTWOORDELIJKE AGENT

 OVER HET EHRM EN DE SCHENDING VAN DE “PROCEDURAL LIMB” VAN ART. 3 EVRM

EHRM, PÓSA/HUNGARY[1], 07-07-2020, 40885/16;( ECLI:CE:ECHR:2020:0707JUD004088516)uitspraak

Door: NOA DE LEON-VAN DEN BERG

 

DE ZAAK

Deze speelt zich af in Hongarije. De heer Pósa, verdacht van betrokkenheid bij een overval, wordt door een arrestatieteam (AT) gearresteerd bij zijn huis. Vanwege zijn stevige fysiek kan Pósa zijn handen niet voldoende op zijn rug houden. Pósa stelt dat twee leden van het AT met hun knieen op hem hebben gedrukt en zijn armen hebben gedraaid, waarbij een derde AT-lid hem sloeg. Voorts stelt Pósa meermalen geschopt en geslagen te zijn. De arrestatie is door het AT op video opgenomen. De video is bewerkt en ingekort en daarna aan de media verstrekt. Volgens het verslag van aanhouding van het AT is Pósa na zijn arrestatie ter plekke onderzocht door een arts en was hij niet gewond. Later die dag wordt Pósa opnieuw onderzocht, nu in het ziekenhuis, en volgens dat medisch verslag had Pósa kneuzingen op zijn arm en rug en schaafwonden op zijn knieën en rug. Naar aanleiding van dit medisch onderzoek wordt een onderzoek ingesteld naar de mogelijk slechte behandeling (mogelijke mishandeling) van Pósa ten tijde van zijn arrestatie. Op 29 februari 2012 vraagt de officier van justitie in het kader van dat onderzoek de originele video opname van de arrestatie op. Op 5 september 2012 wordt het onderzoek gesloten. De officier stelde vast dat Pósa verwondingen had opgelopen tijdens zijn arrestatie niet opzettelijk waren veroorzaakt en dat de arrestatie rechtmatig was geschied.  De video van de arrestatie was vernietigd, na de wettelijke bewaarperiode van 30 dagen (terwijl in geval van een onderzoek de video langer bewaard had kunnen worden). Het beklag tegen het beëindigen van het onderzoek is ongegrond verklaard door de rechter. Pósa start een civiele procedure tegen de twee AT-leden. Twee hoorzittingen, diverse getuigenverklaringen en het deskundigenoordeel van een forensisch expert later, blijkt dat het medisch verslag (dat normaal gesproken altijd wordt ingevuld in geval van een arrestatie) is verdwenen en ook blijkt dat de volledige video van de arrestatie is vernietigd. De rechtbank overweegt dat de verwondingen binnen 8 dagen waren genezen, hetgeen niet zou wijzen op mishandeling of een slechte behandeling van Pósa. De rechtbank oordeelt voorts dat op basis van het voorhanden zijnde bewijs, dat het door de politie toegepaste geweld bij de arrestatie, wettig, noodzakelijk en proportioneel is geweest. In hoger beroep wordt deze uitspraak bekrachtigd.

ONTVANKELIJKHEID

Pósa wendt zich vervolgens tot het EHRM met een klacht tegen de Hongarije. De klacht komt er kortgezegd op neer dat Hongarije in strijd met art. 3 EVRM heeft gehandeld. Hongarije stelt zich  dienaangaande op het standpunt dat Pósa te laat is met het indienen van zijn klacht bij het EHRM, nu dit niet is gebeurd binnen de periode van 6 maanden, na de laatste definitieve nationale beslissing ( te weten de ongegrond verklaring van het beklag en niet eerst na de eindbeslissing in de civiele zaak) ex art. 35 §1 EVRM. Het EHRM overweegt te dien aanzien dat, indien de klager van een nationaal rechtsmiddel gebruik maakt, waarvan van meet af aan duidelijk is dat dat rechtsmiddel evident geen soelaas biedt, de termijn ex art 35 EVRM niet eerst gaat lopen na de beslissing op dat rechtsmiddel. Van zo een situatie is in de onderhavige zaak geen sprake, aldus het EHRM. Pósa is ontvankelijk.

BEOORDELING

Uitgangspunt van  het EHRM is dat elk persoon die van zijn vrijheid is beroofd of, meer in het algemeen, wordt geconfronteerd met de politie en met fysieke geweld dat niet strikt noodzakelijk was door het gedrag van die persoon, in beginsel een beroep toekomt op art. 3 EVRM. Elke inbreuk op de menselijkheid is in strijd met de essentie van het EVRM.

In deze zaak staat de vraag centraal, of de Staat (Hongarije) verantwoordelijk is, in de zin van art. 3 EVRM, voor de verwondingen van Pósa. Het EHRM overweegt dat de zaak van Pósa door twee rechtelijke instanties is beoordeeld en dat zij hun oordeel hebben gebaseerd op het bewijs dat voor handen was. Het EHRM heeft geen aanwijzingen gevonden, op grond waarvan er -zonder enige twijfel – op basis van het voorhanden zijnde bewijs zou kunnen worden vastgesteld dat de verwondingen van Pósa veroorzaakt worden door disproportioneel politiegeweld. Gelet hierop is er geen sprake van een schending van art. 3 EVRM in materiele zin (het EHRM spreekt van de “substantive limb”).

Voor wat betreft een schending van art. 3 EVRM, dus in procedurele zin (het EHRM spreekt van de “procedural limb”), komt het EHRM tot het oordeel dat er wel sprake is van een schending.

In het geval dat een klager stelt dat hij/zij is mishandeld (“seriously ill-treated”) in de zin van art. 3 EVRM door de politie (of vergelijkbare opsporingsambtenaren, zoals leden van een AT), dan volgt mede uit de strekking van art. 1 EVRM, dat het mogelijk moet zijn om een daadwerkelijk, effectieve en officieel onderzoek in te stellen naar die beschuldiging en ook de identificatie en bestraffing van de verantwoordelijke agenten. Zou dat niet het geval zijn, dan zou in sommige gevallen van misbruik van hun bevoegdheden van politie-agenten (“agents of the State”) tot straffeloosheid kunnen leiden. Met andere woorden het recht op verbod van foltering (art. 3 EVRM) moet dus ook in de praktijk effectief zijn doordat het voor de klager mogelijk is, door dat onderzoek, vast te kunnen stellen in hoeverre het toegepaste geweld gerechtvaardigd was in de omstandigheden van het geval en ook, als dat niet het geval is, wie daarvoor verantwoordelijk en hun identiteit vast te stellen. Elk onderzoek dat niet kan leiden tot de vaststelling van  persoon verantwoordelijk  voor de schending van art. 3 EVRM, voldoet niet aan deze door het EHRM vastgestelde standaard. Het betreft hier een verplichting met betrekking tot het effectieve (rechts)middel, niet met betrekking tot het resultaat.

IN CASU

Toegepast op de zaak Pósa oordeelt het EHRM dat het onderzoek naar de verantwoordelijke politie-agenten niet voldoende grondig en effectief in het licht van het vorenstaande. Met name het vernietigen binnen de zeer korte termijn van 30 dagen van de volledige filmopname van de arrestatie, weegt het EHRM zwaar mee. Immers, de filmopname was van groot gewicht met betrekking tot het bewijs in deze zaak. De verkorte versie van de film bevatte bovendien geen opname van de daadwerkelijk aanhouden en het omdoen van de handboeien bij Pósa. Ook het ontbreken van het medisch verslag van depolitie, maakt het onderzoek ontoereikend. Door deze ommissies in het onderzoek heeft de rechterlijke instanties beperkt in hun beoordeling van de feiten in deze zaak. Een adequaat onderzoek moet grondig en secuur (“diligence and promptness”) zijn. In dat kader wijst het EHRM nog op de officier van justitie die eerst ruim vier maanden na ommekomst van de wettelijke bewaartermijn van 30 dagen, de video-opnamen van de arrestatie opvraagt. Het EHRM lijkt hiermee ook een actieve houding van de officier van justitie, als leider van het onderzoek naar de eventuele schending van art 3 EVRM, te verwachten.

Nu er sprake is van een schending van art. 3 EVRM (procedural limb) wordt aan Pósa een schadevergoeding van € 7.000,= en proceskosten van € 2.000,= toegekend.

[1]Deze uitspaak is ten tijde van het schrijven van deze blog, nog niet “final” in de zin van art. 44 §2 van het EVRM

Leave a Reply

Your email address will not be published. Required fields are marked *

Wij maken gebruik cookies om ons website verkeer te analyseren.